Tibet

Tibet

land van kloosters en bergen

 

Inleiding:

 

Tibet is een geografisch gebied op het Tibetaans Hoogland. Het wordt voornamelijk bewoond door de Tibetanen, een van de 56 officiële etnische groepen van de Volksrepubliek China. De Tibetanen zijn een volk met een eigen taal, het Tibetaans en een eigen Tibetaanse cultuur. Tibetanen behoren voornamelijk tot twee religies: de bön en het Tibetaans boeddhisme.

 

Na de Xinhairevolutie en de stichting van de Republiek China verklaarde Tibet zich in 1912 onafhankelijk van China, wat echter door geen enkel land erkend werd. Het gebied van het de facto onafhankelijke Tibet was in geografisch opzicht vrijwel identiek aan het gebied van de huidige Tibetaanse Autonome Regio. Het gebied bleef de facto onafhankelijk tot de invasie van Tibet van 1950-51 door het Volksbevrijdingsleger, waarna het opnieuw deel van China werd.

 

Tibet is in politieke en bestuurlijke zin die autonome regio van China. Het Tibetaanse cultuurgebied omvat ook delen van de provincies Sichuan en Qinghai. Daartoe behoren ook Ladakh en Sikkim in India, Bhutan en sommige delen van Nepal.

 

De Tibetaanse Autonome Regio grenst in het zuiden en westen aan Nepal, Bhutan, Myanmar en de Indiase deelstaten Jammu en Kasjmir en Himachal Pradesh, Sikkim, Arunachal Pradesh. Van noord naar oost grenst het aan de provincies Sinkiang (Turkestan), Gansu, Sichuan en Yunnan.

 

Bevolking

 

Er wonen anno 2014 ongeveer 5.800.000 Tibetanen in China. Daarvan woont globaal 50% in deTibetaanse Autonome Regio. De overige 50 % woont in de gebieden ten oosten daarvan en die worden aangeduid met de historische namen Amdo en Kham. Deze verdeling is globaal dezelfde als die al eind achttiende eeuw bestond. Buiten de Volksrepubliek China leven naar schatting 120.000 Tibetanen die verspreid zijn over de wereld.

 

Minderheden zijn Lhoba en Monpa in het zuidoosten en de Hui moslims, die in de loop der tijd zich als handelaren in Tibet vestigden, net als ze in China deden. Tibetanen zijn ook nauw verwant aan de Qiang in Sichuan, de Ladakhi's uit India en de Sherpa's uit Nepal.

 

De fysieke gesteldheid van Tibetanen is aangepast aan het leven op grote hoogten. Niet-Tibetanen daarentegen hebben vaak moeite met de hoogten van Tibet. De meeste Tibetanen wonen in dorpen, waardoor er weinig grotere steden zijn met een Tibetaanse meerderheid.

 

Godsdienst

 

Het grootste deel van de bevolking van Tibet hangt het Tibetaans boeddhisme aan, Het boeddhisme kwam laat naar Tibet. In de 7e eeuw was het in Tibet nog vrijwel onbekend. Het land was in die tijd voor een belangrijk deel omringd door gebieden waar dat boeddhisme zich al stevig had gevestigd. Tibet was feitelijk een heidens eiland in een grote boeddhistische oceaan. Die late komst van het boeddhisme in Tibet heeft als consequentie gehad, dat in Tibet dat boeddhisme beïnvloed werd - veel meer dan in gebieden waar het al eerder aanwezig was - door de latere ontwikkelingen van het boeddhisme in India zelf.

 

In India ontwikkelde de tantrische traditie binnen het boeddhisme zich pas na circa 400. Pas in de 7e eeuw begon die traditie in India de beoefening van het boeddhisme meer te domineren. Als gevolg van de relatief late introductie, speelden in Tibet de tantrische elementen van meet af aan een grote rol.De boeddhistische literatuur wordt wel verdeeld in

 

  • soetra's: teksten, die geacht worden uitgesproken te zijn door de historische Boeddha dan wel geacht worden zijn instemming te hebben.

 

  • sastra's: commentaren op en verhandelingen over de soetra's

 

  • tantrische geschriften: teksten die een soort handleiding zijn voor rituelen en met name meditatietechnieken ten behoeve van gelovigen.

 

Het Tibetaans boeddhisme kan als volgt gekarakteriseerd worden: de leerstellingen zijn op de sastra's gebaseerd en de praktijk op de tantrische geschriften.

 

Na de val van het Tibetaanse rijk in het midden van de 9e eeuw verdwijnt het boeddhisme in zijn georganiseerde en monastieke vorm voor ruim een eeuw uit Centraal-Tibet. Een tweede introductie van het boeddhisme uit India begint aan het eind van de 10e eeuw. Dat is een periode waarin het verval van het boeddhisme in India zelf al is begonnen. Tijdens die tweede introductie is Tibet in staat geweest om de invloed te ondergaan van de laatste grote leraren uit het Indiase boeddhisme, zoals Atisha (980-1052) en Tilopa (988-1069).

 

Het Tibetaans boeddhisme heeft een aantal kenmerken, die vooral te maken hebben met de grote weerstand tegen de introductie van de religie. Belangrijke notie is daarbij de opname in het pantheon van het Tibetaans boeddhisme van zeer veel preboeddhistische elementen. In het Tibetaans boeddhisme is verder een aanname van het geloof in wedergeboren tulku's, ofwel leraren zoals onder meer de dalai lama.